De gangen liggen er verlaten bij. De enige geluiden die klinken zijn het getik op een toetsenbord van een enkeling en de luchtstroom uit de airconditioning. De ruimtes zijn opgeruimd, schoon, en de glazenwasser maakt het geheel af door de ramen te zemen. De posterborden zijn leeg, evenals de banken en stoelen. Het ene moment waaien natte bladeren op in een zomerse storm en op het andere moment worden ze lichtgroen, verlicht door de zon. Het is 6 juli.

Met in mijn oren muziek fiets ik op een rustig tempo van de Uithof naar huis. De zomer is ingetreden. Met de voetjes omhoog rijd ik door een nog niet verdampte plas water, waarbij de spetters me op een haar na missen. Dan weigert mijn fietsketting dienst. Na een zucht en het rollen met mijn ogen stap ik van mijn fiets, waarna ik binnen een minuut mijn ketting opleg. Vaste prik. Na dit korte intermezzo stap ik op het zadel en doen de tandwielen hun werk weer, wanneer ik begin te trappen.

Terwijl ik het ritme van mijn trappen afstem op de muziek, dagdroom ik over de zon, de dagen strand die komen gaan, het gras tussen mijn tenen en over wijntjes drinken op een zwoele zomeravond. Ik denk aan infinity pools, het gevoel van de stof van een jurkje langs mijn benen en mijn haren op mijn rug en aan touren langs de Ierse kust. Ik blik terug op dit geweldige jaar met zoveel lieve mensen en ik voel me blij.

Dan word ik opgeschrikt door druppels die mijn huid raken. Een blik omhoog leert me dat er regen op komst is. Maar dat maakt me niet uit. Ik heb de zomer in mijn bol.

 

Sanne Böing
h.t. Voorzitter