“Oeh, wat een moeilijke achternaam! Spreek ik het zo goed uit?”

Als ik een euro kreeg voor elke keer dat ik die zin heb gehoord, is die studieschuld straks binnen mum van tijd afbetaald. En nee, je spreekt het waarschijnlijk niet goed uit. Maar dat is ook niet zo gek want zelfs ik heb nog moeite met mijn eigen achternaam, die er licht hakkelend en met een duidelijk Nederlands accent uitkomt.

Met ouders die allebei uit het buitenland komen (Kroatië, voor de nieuwsgierigen) en pas op hun dertigste in Nederland zijn gearriveerd, heb je natuurlijk geen achternaam als “Jansen” of “De Vries”. Verder vind ik ons als gezin goed ingeburgerd. Mijn ouders hebben allebei goed Nederlands geleerd en zijn aan het werk als arts. Het enige accent wat ik zelf heb overgehouden is een zachte G en sporadisch gebruik van typisch Brabantse woorden. Mijn favoriete eten is aardappelen in welke vorm dan ook, met carnaval en koningsdag feest ik vrolijk uitgedost mee en ik heb me nog nooit in mijn leven gediscrimineerd gevoeld. Toch blijven er altijd wat aparte trekjes hangen, hoe zeer je ook je best doet om je aan te passen. En dat levert soms wel grappige situaties op.

Taal blijft een dingetje. Ik ben tweetalig opgevoed en merk inmiddels al niet meer of er in het Nederlands of in het Kroatisch tegen mij gepraat wordt. Maar als er vrienden of vriendinnen langskomen, staan die nog wel eens te kijken van hoe talen bij ons door elkaar gehusseld worden. Het gebeurt vaak dat iemand een zin begint in de ene taal, en na een paar woorden opeens overstapt op de andere taal. Of dat op Kroatische woorden opeens de Nederlandse grammatica wordt toegepast. Ook gebeurt het nog wel eens dat mijn beste vriendin, die al negen jaar bij ons over de vloer komt, automatisch in het Kroatisch aangesproken wordt om te komen eten. Meestal denk ik er niet eens over na, maar pas als je de vertwijfelde gezichten van anderen ziet besef je je hoe raar dat moet klinken voor iemand die de taal niet begrijpt.

Maar ook typisch Nederlandse gebruiken zitten er soms nog niet helemaal in. Sinterklaas vierden we wel altijd, maar toen ik in groep 5 voor het eerst een surprise moest maken, besefte ik me niet helemaal hoeveel werk daar echt in ging zitten (en ik ben sowieso een knutselkneus). Zat ik daar, tussen alle papier-maché hoofden en bakken slijm, met niks anders dan een groen vel A4 als ondergrond en daarop uitgeknipte dierenvormpjes, wat een soort weiland met konijntjes en koeien moest voorstellen. Wist ik veel dat mensen hele voetbalvelden en mega-potloden in elkaar zetten (sorry, Richard).

Ook wat stukjes algemene kennis over de Nederlandse pop-cultuur van een aantal decennia terug mis ik. Als er bij een quiz op tv vragen worden gesteld over bekende presentatoren, bands of programma’s uit de jaren ’70 en ’80 zit ik met een mond vol tanden, terwijl mijn vriend naast me enthousiast de antwoorden roept naar het beeldscherm. Of als er op feestjes klassiekers worden gedraaid van zangers als André Hazes en iedereen arm in arm mee staat te blèren, sta ik ongemakkelijk met m’n voeten te schuifelen en krijg er af en toe een la-la-la’tje tussen. Echter werd ik wel tijdens elke autorit in de zomervakantie blootgesteld aan Kroatische rockklassiekers uit de eighties.

En zo zijn er nog wel meer dingetjes. Zo was ik achttien toen ik voor de eerste keer stamppot at (superlekker, trouwens), had ik vroeger nooit grote-mensen-feestjes omdat onze familie zo’n 1300 kilometer verderop woont en zijn alle keren dat ik gegourmet heb tijdens kerst op één hand te tellen. Maar toch blijf ik in februari gezellig mee hossen, trek ik op 27 april mijn mooiste oranje outfit aan en sta ik tijdens het WK voetbal voor Holland te juichen. Ik voel me een Nederlandse, ik ben een Nederlandse, ik heb alleen nog wat buitenlandse lijntjes.