Lieve Liza,

Een paar dagen geleden besloot mijn lichaam de vrije periode na mijn tentamens goed in te luiden met een griep. Ik weet niet waar hij hem vandaan had, maar gezien het feit dat er een epidemie heerst moet dat niet moeilijk zijn geweest. Er zijn voor mij altijd twee puntjes die ik moet afvinken om te kunnen concluderen dat ik ziek ben. De eerste is misschien niet heel verrassend: ik voel me bovengemiddeld rot. De tweede is misschien iets minder voor de hand liggend en betreft een droom die ik al van kleins af aan echt alleen heb als ik ziek ben. Zo ook dus afgelopen woensdagnacht, die voor mijn gevoel jaren leek te duren.

De droom zelf is door de jaren heen enigszins van vorm veranderd, maar het onderliggende thema is altijd hetzelfde gebleven. Enige voorbeelden: voor me strekken zich tot in de oneindigheid patiënten in ziekenhuisbedden uit en ik heb een seconde om ze allemaal een spuit te geven voordat ze dood gaan (en die seconde duurt dan de hele droom); in een andere versie zie ik mieren die ontzettend ver weg en minuscuul klein zijn, maar letterlijk tegelijkertijd ook ontzettend dichtbij en overheersend groot zijn; In de meest recente vorm bevind ik me ergens midden in het universum, waarin ik me tegelijkertijd zo groot als een God en zo klein als een atoom waan. Niet de meest prettige dromen zoals je merkt, en allemaal met dat rare paradoxale karakter.

Als kind vond ik het maar een eng gevoel, die mengeling van nietigheid en oneindigheid. Maar gaandeweg ben ik dat paradoxale beeld gaan waarderen. Ik kan het nog steeds oproepen als ik oververmoeid ben en met mijn ogen dicht op bed lig. Het gaat dan tegenwoordig altijd om die laatste variant; de anderen zijn sinds mijn kinderjaren nooit meer teruggekomen. Het is nu meer een welkome oude bekende; een soort bizarre kosmische achtbaan.

Toen ik eergisteren weer enigszins hersteld van de griep op de bank zat had ik ineens het nummer ‘Wonderful Life’ van Black in mijn hoofd. Volgens mij hebben wij hem ooit nog eens karaoke gezongen, was dat niet in Krakau? In ieder geval, ik zocht hem op via Youtube en terwijl ik ernaar zat te luisteren overviel me een ander soort paradox. Toen ik naar beneden scrollde zag ik namelijk dat dit nummer afkomstig is uit 1987. Dat verbaasde me, omdat ik bij dit nummer altijd zo’n gevoel heb gehad alsof het er altijd al is geweest. Snap je wat ik bedoel? Alsof het er hoort te zijn en iedereen het hoort te kennen. Maar integendeel, er waren welgeteld nul mensen die het kenden voor het in 1985 in Londen werd opgenomen. Het is niet meer dan een 80s-nummer die het tot een klassieker heeft geschopt, maar dat staat in schril contrast met hoe ik hem vanaf kinds af aan heb gezien.

Ik denk dat je zou kunnen zeggen dat mensen een bijna onvermijdelijke fascinatie hebben voor het begrip ‘paradox’. Ik denk ook dat dit een logisch gevolg is als je zoiets als een bewustzijn toevoegt aan het brein van een simpele primaat. Zo’n beest gaat zich superieur voelen omdat het tot relatief veel in staat is, maar gaat zich onvermijdelijk ook erg klein voelen als hij zijn horizon begint te verbreden. Hij bouwt wat raketten en start zo nu en dan een oorlog, en bedenkt tegelijkertijd concepten als ‘existentialisme’ en, tsja, paradoxen. Want de paradoxen die geen logische of wiskundige denkfouten zijn, zijn in feite gewoon dingen die te begrijpen zijn maar simpelweg aan ons voorbijgaan.

Deze meer menselijke paradoxen zijn natuurlijk ook het meest interessant. Hoe fascinerend de paradoxen van Russell, Zeno en Schrödinger ook zijn, je weet dat er een antwoord voor is en dat er wat dat betreft slechts een logicus, wiskundige of een ander soort wetenschapper voor nodig is om door de denkfout heen te prikken. Maar de mooiste, bijna magische paradoxen zijn de paradoxen die we zelf creeëren. De ‘Wonderful life’-paradox bijvoorbeeld (want de beste paradoxen hebben een naam), die natuurlijk helemaal niet bestaat, maar me nu toch al twee dagen bezighoudt. You know it feels unfair, there’s magic everywhere.

Liefs,
Stefan